
Waarom we een elite nodig hebben - en zullen krijgen, of we dat nu willen of niet
- Bernard Lindekens
- 10/09/2025
In een samenleving die zichzelf voortdurend bezweert dat iedereen gelijk is, dat leiderschap achterhaald is en dat hiërarchie iets verdachts is, klinkt het haast anachronistisch: we hebben een elite nodig. En niet zomaar een elite, maar een gevormde, bewuste en moreel verankerde bovenlaag die richting durft geven aan de gemeenschap. En dan hebben we het uiteraard niet over de lamlendige politici - handelaars in tweedehands ideeën-, of de halfbakken B.V. ’s die over elkaars voeten struikelen in de vele praatprogramma’s die ons medialandschap rijk is. Of de Marc Couckes van deze wereld: het type selfmade-miljonair dat denkt dat succes en beschaving aan dezelfde tafel zitten, zolang de wijn maar duur genoeg is. Dit is geen conservatieve nostalgie, maar een realiteit die al meer dan een eeuw geleden glashelder werd verwoord door Vilfredo Pareto – een van de scherpste waarnemers van de moderne wereld.
Elite is onvermijdelijk
Vilfredo Pareto (1848–1923), Italiaans econoom en socioloog, ontwikkelde aan het begin van de twintigste eeuw een invloedrijke elitetheorie die een fundamentele kritiek biedt op liberale en democratische opvattingen over macht en sociale ordening. In zijn hoofdwerk Trattato di Sociologia Generale (1916) poneert Pareto de stelling dat in iedere samenleving – ongeacht haar politieke systeem – altijd een relatief kleine minderheid de feitelijke macht bezit: de elite.
Volgens Pareto is de samenleving in twee hoofdgroepen verdeeld: de elite en de niet-elite. Binnen de elite onderscheidt hij twee subcategorieën: de “heersende elite”, die op een bepaald moment de macht uitoefent, en de “niet-heersende elite”, bestaande uit individuen met uitzonderlijke capaciteiten die (nog) geen toegang hebben tot de machtspositie. Cruciaal is dat elites volgens Pareto niet statisch zijn: hij beschrijft een voortdurend proces van circulatie van elites (circolazione delle élite), waarbij de bestaande elite vroeg of laat wordt vervangen door een nieuwe groep die haar positie verovert.
Deze circulatie is geen gevolg van rationele deliberatie of democratische besluitvorming, maar eerder van sociale dynamiek en psychologische drijfveren. Pareto introduceert het begrip “residuen” (residui): irrationele, diepgewortelde gedragsmatige en morele impulsen die het handelen van mensen bepalen en collectieve patronen vormen. Het zijn deze residuen – en niet louter economische of ideologische factoren – die het gedrag van elites sturen.
In zijn analyse maakt Pareto ook een onderscheid tussen twee typen elites: de “leeuwen” en de “vossen”. De leeuwen vertegenwoordigen kracht, traditie en autoriteit; zij heersen via geweld en dwang. De vossen daarentegen zijn pragmatisch, sluw en manipulatief; zij regeren via diplomatie, ideologie en bedrog. Wanneer een elite te veel leunt op het ene type, verliest zij uiteindelijk haar veerkracht en ontstaat er ruimte voor de opkomst van een nieuwe elite met een tegenovergesteld profiel. De geschiedenis, zo stelt Pareto, is dan ook cyclisch van aard: het is een eindeloze afwisseling van elites, eerder dan een lineaire progressie richting meer gelijkheid of rationaliteit.
Pareto’s elitetheorie vormt een belangrijke bijdrage aan het denken over macht, ideologie en sociale orde, en oefende grote invloed uit op latere denkers zoals Gaetano Mosca en Robert Michels.
Wat vandaag ontbreekt
Echter, wat wij vandaag vaak elite noemen, is in werkelijkheid een kliek: een zichzelf reproducerende laag zonder transcendente oriëntatie. Ze blinkt uit in netwerken, niet in ideeën; in status, niet in dienstbaarheid. Ze leidt niet, ze volgt trends – met een angstige blik op de peilingen. Wat ontbreekt, is een werkelijk gekwalificeerde elite: intellectueel gevormd, cultureel geworteld, moreel verantwoordelijk.
Trouwens, pleidooien voor een elite vind je ook ter linkerzijde. Antonio Gramsci (1891–1937), marxist en medeoprichter van de Italiaanse Communistische Partij, ontwikkelde in zijn gevangenisschriften een ander type elitetheorie. Hij stelt dat elke maatschappelijke orde een culturele hegemonie nodig heeft: een gedeeld wereldbeeld dat door de dominante klasse wordt verspreid. Binnen dit proces speelt de 'organische intellectueel' een sleutelrol: een lid van een sociale klasse dat in staat is om ideologisch leiding te geven. Gramsci breekt met het idee van de afstandelijke, universele intellectueel. De ware elite moet organisch zijn: voortgekomen uit en verbonden met een historische klasse (bijv. het proletariaat). Anders dan Pareto ziet Gramsci elites niet als neutrale mechanismen, maar als strijdende groepen binnen een klassenstrijd. Zijn elitetheorie is expliciet normatief: hij pleit voor een nieuwe, revolutionaire elite die de kapitalistische hegemonie kan doorbreken.
En Gramsci was lang niet de enige. In The Lion and the Unicorn verdedigt Orwell het idee van een revolutionair patriottisme: een socialisme dat geworteld is in de nationale cultuur en geleid wordt door mensen met visie en karakter. Hij keert zich scherp tegen zowel de conservatieve aristocratie als de cynische bureaucratie van de partijpolitiek, maar benadrukt dat een succesvolle socialistische samenleving enkel mogelijk is als er mensen zijn die zich onbaatzuchtig aan het algemeen belang wijden. Michael Young waarschuwt in The Rise of the Meritocracy (1958) – ironisch genoeg – voor een technocratische elite zonder moreel kompas. Tegelijkertijd suggereert zijn waarschuwing dat een verantwoordelijke, moreel verankerde elite wél wenselijk is.
Recenter, In The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy (1994) bekritiseert Christopher Lash de bestaande elite juist omdat zij zich aan haar plicht jegens de samenleving onttrekt. Lasch stelt dat er een nieuwe elite is ontstaan die haar macht ontleent aan kennis, technologie en globalisering. Deze groep bestaat uit topmensen in het bedrijfsleven, media, academie en overheid — mensen die geen echte band meer voelen met hun landgenoten of lokale gemeenschappen. Waar vroegere elites zich nog enigszins verantwoordelijk voelden voor het welzijn van de samenleving, zijn de hedendaagse elites meer gericht op zelfontplooiing en persoonlijke vrijheid. Ze trekken zich terug in afgesloten, welgestelde enclaves en delen weinig meer met de 'gewone man'. De elites zouden volgens Lasch neerkijken op traditionele waarden zoals religie, gezin, nationale identiteit en arbeidsethos. Ze zien deze als achterhaald of bekrompen, terwijl deze waarden voor de midden- en arbeidersklasse vaak essentieel zijn. Omdat de elites zich onttrekken aan maatschappelijke verantwoordelijkheid en politieke betrokkenheid — of zich vooral richten op technocratische, internationale oplossingen — komt de democratie in de knel. De kloof tussen bestuur en bevolking groeit. In tegenstelling tot de traditionele betekenis van revolutie als iets dat van onderaf komt (zoals bij marxistische revoluties), beschrijft Lasch een "revolutie van boven": elites die zich afkeren van het volk en hun eigen belangen dienen. Zijn pleidooi is niet anti-elitair, maar eerder voor een verantwoordelijke elite.
Cultuur, orde, continuïteit
Elke beschaving rust op een kern van mensen die traditie doorgeven, vorm bieden, grenzen stellen en betekenis articuleren. Ortega y Gasset sprak in La rebelión de las masas over de opstand van de middelmatigheid tegen de vorm – de weigering nog langer geleid te willen worden door iets hogers.
Maar zonder richtinggevende elite raakt de samenleving stuurloos: cultuur wordt lifestyle, democratie vervalt tot slecht spektakeltheater, vooruitgang verwordt tot acceleratie zonder bestemming.
In zijn vroege werken, Vu de droite en Les idées à l’endroit, besteedt Alain de Benoist (1943) opvallend veel aandacht aan het concept van elites en hoe die gevormd worden. Hij sluit deels aan bij Pareto, maar voegt een normatieve laag toe die sterk cultureel en filosofisch bepaald is. Net als Young verwerpt hij de liberale meritocratie, die volgens hem leidt tot een technocratische, ontwortelde elite. Ook keert hij zich tegen de egalitaire ideologie die iedere vorm van hiërarchie als verdacht beschouwt.
Hij pleit voor een elite die zich niet baseert op rijkdom of afkomst, maar op karakter, dienstbaarheid, intellectuele vorming en culturele inbedding. Deze elite is aristocratisch in de oorspronkelijke zin van het woord: niet erfelijk, maar waardig. Ze staat in dienst van het geheel, niet van zichzelf. Zijn kritiek op de moderne elite is fel: ze is kosmopolitisch, moreel leeg en vervreemd van het volk. Hij roept op tot een nieuwe elite die 'organisch' is, maar niet in marxistische zin: niet klasseverbonden, maar cultureel geworteld.
Geen aristocratie van bloed, maar van geest
De elite die we nodig hebben, is niet erfelijk, maar gevormd – door studie, karakterdiscipline en politieke moed. Zij zoekt geen macht om de macht, maar draagt verantwoordelijkheid omdat iemand het moet doen. En zoals Pareto al zag: als de deugdzamen het laten afweten, zullen de sluwen hun plaats innemen. Het vacuüm vult zich altijd.
We leven niet in een post-elitaire wereld. We leven in een tijd waarin de oude elite haar legitimiteit volledig verloren heeft, maar een nieuwe zich nog niet ten volle heeft gevormd. Een halve eeuw geleden, tijdens het 10de colloquium van G.R.E.CE., hield de Franse socioloog en politiek filosoof Julien Freund (1921–1993) een pleidooi voor een nieuwe aristocratie (1). De nood is er nu meer dan ooit. De vraag is echter wie de roep durft te beantwoorden.
Voetnoten
1. Julien Freund, Plaidoyer pour L’aristocratie, pag. 29 - 62 in: Des élites pour quoi faire? , 10 ème colloque due G.R.E.C.E., GRECE, Parijs, 1976, 99 blz.