
Vrijheid van meningsuiting: De laatste luxe van een erg vermoeide beschaving
- Bernard Lindekens
- 30/10/2025
Vrijheid van meningsuiting is waarschijnlijk het laatste idee waar Europeanen nog een beetje trots op zijn. Religie is verdampt, politieke idealen zijn uitgewoond, en de vrije markt heeft zelfs het verzet opgeslokt en terugverkocht als T-shirt met modieuze opdruk. Wat resteert, is dat we nog alles mogen zeggen — althans, toch in theorie.
Het is een merkwaardig fenomeen: in cafés, op sociale media en in universiteitszalen wordt vrijheid van meningsuiting tegelijk bezongen en gewantrouwd. Iedereen wil vrij kunnen spreken, maar vooral zó dat de ander zich inhoudt. De hedendaagse burger is minder geïnteresseerd in vrijheid, dan in het comfort van niet geconfronteerd worden met meningen die pijn doen.
De paradox van de mondige burger
We leven in een tijd waarin elke mening onmiddellijk een publiek kan vinden. Een gedachte, half af en rommelig, wordt in seconden omgezet in een tweet, een post of een video. De burger heeft zijn stem teruggevonden, maar niet de discipline die daarbij hoort. Het publieke debat lijkt minder op een democratisch forum dan op een rumoerige kroeg om vier uur ’s nachts, waar iedereen schreeuwt en niemand luistert. Tegelijkertijd is er een groeiende morele bureaucratie ontstaan — een netwerk van moderatoren, factcheckers, algoritmen en goedbedoelende commissies — die bepaalt wat gezegd mag worden en hoe. Vrijheid van meningsuiting is niet verdwenen; ze is geprotocolleerd, gefilterd en geframed.
De zachte censuur van de vooruitgang
In tegenstelling tot vroegere regimes, die met geweld en gevangenissen het woord onderdrukten, gebruikt de moderne samenleving subtielere middelen. Uitsluiting, reputatieschade, en een onophoudelijke stroom morele verontwaardiging doen het werk veel efficiënter. Niemand hoeft nog gearresteerd te worden; men arresteert zichzelf door stil te blijven uit angst voor sociale verbranding. Deze zachte vorm van censuur is effectief omdat ze intern werkt. Vrijheid van meningsuiting blijft officieel bestaan, maar de sociale kosten van het gebruik ervan stijgen. De grens van het toelaatbare wordt niet langer getrokken door wetten, maar door collectieve irritatie. Men denke in dit geval maar aan rector Petra De Sutter van de universiteit van Gent en haar merkwaardige opvattingen over academische vrijheid. Petra is een soort academische paradox die de Europese politiek heeft weten te veroveren. Ze is tegelijk hoogleraar, gynaecoloog, ex-minister, groene idealist en, sinds kort, bijna een merknaam. Het is alsof de moderne democratie zelf een mascotte heeft voortgebracht: een rationele, goedbedoelende, correct geformuleerde autoriteit die overal tegelijk lijkt te zijn en nergens echt. Ze straalt de zekerheid uit van iemand die exact weet hoe de toekomst eruit zou moeten zien: inclusief, duurzaam, en bovenal gereguleerd. Dat dit soort toekomsten meestal uitloopt op stroperige compromissen en halve mislukkingen, doet er nauwelijks toe; het gaat om de overtuiging. Niet om de academische vrijheid, voor alle duidelijkheid!
De ironie van de absolute vrijheid
Het merkwaardige is dat juist in samenlevingen die vrijheid van meningsuiting het luidst verdedigen, een gevoel van intellectuele verstikking heerst. Misschien omdat onbeperkte expressie niet leidt tot een rijker debat, maar tot uitputting. Alles wordt gezegd, maar weinig wordt gehoord. De overvloed aan meningen leidt niet tot waarheid, maar tot ruis. En vaak wordt dit dan ook nog eens afgerond met het oer-Vlaamse cliché: ‘Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.’ Bespaar ons die dooddoener a.u.b!
Houellebecq zou zeggen: vrijheid van meningsuiting is het parfum van een beschaving die haar kracht verloren heeft maar haar manieren nog niet vergeten is. Ze houdt de façade in stand, zoals een kapotte neonreclame die blijft knipperen: niet meer overtuigend, maar herkenbaar genoeg om nostalgie op te wekken.
Vrijheid van meningsuiting is geen warm dekentje, maar een ongemakkelijk recht. Ze confronteert ons met domheid, vulgariteit, en onwelkome ideeën. Ze vraagt van ons een volwassenheid die zeldzaam is geworden in een cultuur die vooral draait om comfort en morele bevestiging. Een wereld waarin ons verlangen versmelt met identiteit, en consumptie ons kompas wordt.
Misschien is dat precies waarom dit recht zo essentieel blijft: omdat het ons dwingt om te leven met de frictie die bij vrijheid hoort. Zonder die frictie resteert slechts een keurig gepolijste stilte — en stilte is zelden een teken van vitaliteit.