Nieuwsberichten

Van Zilverfrank tot Schuldberg: Een luchtige blik op de Belgische begrotingstekorten sinds 1830

Van Zilverfrank tot Schuldberg: Een luchtige blik op de Belgische begrotingstekorten sinds 1830

  • Luc Pauwels
  • 15/12/2025

België en begrotingstekorten, het is een relatie die de tand des tijds wonderwel heeft doorstaan. België wordt in 1830 geboren als een jonge natie met een stevige portie chaos. Zoals veel adolescenten had het land grootse plannen, maar beperkt zakgeld. Het begrotingstekort – het verschil tussen wat de overheid uitgeeft en wat ze binnenkrijgt – is sindsdien een trouwe metgezel. Soms een stille achtergrondspeler, soms een hoofdpersoon in politieke drama’s.

Sinds de prille dagen van de afscheiding in 1830 heeft het land zijn financiële evenwicht meermaals zien wankelen, balancerend tussen politieke (on)verantwoordelijkheid en fiscale realiteit.

De geboorte van een staat – en zijn schuld

Als België zich in 1830 afscheurt van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, erft het weinig meer dan goede wil en een hoop institutioneel enthousiasme.

In 1832 worden de eerste Belgische munten uitgegeven: de koperen 1 en 10 centiem, de eerste zilveren frank, enz. Financieel precaire jaren: het nieuwe staatje wil een leger oprichten, infrastructuur ontwikkelen en zich diplomatiek in de wereld zetten. Al snel duiken de eerste tekorten op in de begroting, deels vanwege hoge investeringen, deels omdat belastinginning krakkemikkig verloopt.

Toch is het tekort in de 19de eeuw eerder beperkt. België geldt vanaf 1850 als een economisch wonder: een van de eerste landen op het Europese vasteland met een geïndustrialiseerde economie. Overheidsinvesteringen in spoorwegen en steenkoolinfrastructuur brengen economische groei. Hoewel meestal overvloedig op krediet gefinancierd

Wederopbouw en welvaartsstaat

De twintigste eeuw brengt België weinig fiscale rust. De heropbouw na de Eerste Wereldoorlog kost enorm veel en noopt tot herhaaldelijk bijdrukken van geld, plus lenen op grote schaal. De Belgische staatsschuld stijgt tot ongekende hoogte. De crisis van de jaren 1930 snijdt diep.

Na de Tweede Wereldoorlog volgt de opbouw van de welvaartsstaat. De jaren 1950 en 1960 kenmerken zich door economische groei, maar ook door een expansieve overheid. Investeringen in sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs liggen aan de basis van structureel hogere overheidsuitgaven.

De echte kentering komt in de jaren 1970 en 1980. De oliecrisissen, economische stagnatie en stijgende werkloosheid leiden tot fors hogere overheidsuitgaven - bij tanende inkomsten. België ontwikkelt zich nu tot een "kampioen van het tekort": tegen het midden van de jaren 1980 bedraagt het begrotingstekort ruim 10% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en stijgt de staatsschuld tot boven de 130% van het BBP.

De tucht van Maastricht
 
Het Verdrag van Maastricht (1992) legt de lidstaten van de Europese Unie nieuwe begrotingsregels op: het tekort moet onder de 3% blijven en de schuld onder de 60% van het BBP. België, dat tot dan toe financieel eigenzinnig opereerde, krijgt plots een Europees kader opgelegd. Ironisch genoeg werkt die druk even: met strikte saneringen, belastingverhogingen en het bevriezen van uitgaven weet de regering haar begroting in 2000 zowaar effe in evenwicht te brengen.

Maar het blijkt geen blijvende ommekeer. De financiële crisis van 2008, gevolgd door de eurocrisis en recent de coronapandemie, doen het begrotingstekort opnieuw ontsporen. We belanden in een structureel begrotingsprobleem dat vandaag als een van de hardnekkigste van Europa geldt. De Belgische schuldgraad flirt opnieuw met de 110%. 

De kunst van het tekort

Is dit alles louter een boekhoudkundige zonde, of schuilt er meer achter? België is een federale staat, met een complexe bevoegdheidsverdeling. De budgettaire verantwoordelijkheid is versnipperd over meerdere overheden, van het federale niveau tot de gewesten en gemeenschappen. Het ontbreekt niet alleen aan discipline, maar ook aan coördinatie. De taalgrens blijkt ook een economische cultuurgrens. Vlaanderen rekent op zichzelf, Wallonië op transfers.

Tegelijkertijd zijn de noden reëel: vergrijzing, klimaattransitie, defensie, digitalisering… allemaal vragen ze investeringen. In dat licht is het tekort geen ontsporing, maar eerder een gevolg van politieke keuzes: België kiest er telkens opnieuw voor om meer te spenderen dan het fiscaal incasseert. Of dat houdbaar is, mag in vraag worden gesteld. Maar misschien is België zélf niet houdbaar.

Top